Taal

Welke rol speelt taal in de wetenschap- en technologieles (w&t-les)? En kun je onderwijs in wetenschap en technologie combineren met taalonderwijs?

W&t-lessen gaan over abstracte concepten en processen, zoals zwaartekracht, luchtdruk of stevigheid, waar kinderen in een leer- en ontdekproces mee kennismaken. Kinderen die worden aangemoedigd om zelf na te denken en die leren om hun gedachten te verwoorden, kunnen een hoger niveau van wetenschappelijk redeneren bereiken. Het verbaliseren van gedachten is daarom een belangrijk onderdeel van de wetenschap- en technologielessen. Omgekeerd bieden w&t-lessen veel mogelijkheden om het taalonderwijs te verrijken.

kinderen graaien in een plastic bak

De wetenschap- en technologieles biedt bij uitstek kansen om de taalontwikkeling van kinderen verder te stimuleren en te verdiepen. In deze les wordt namelijk van hen verlangd dat ze complexe relaties leren beschrijven en abstracte begrippen leren hanteren. Dit vraagt om een andere manier van taalgebruik dan kinderen thuis gewend zijn. Leerkrachten kunnen kinderen bekend maken met dit meer complexe taalgebruik.

Ook de materiaalkeuze is erg belangrijk voor het verder stimuleren van de cognitieve ontwikkeling van kinderen. Sommige materialen lokken rijker taalgebruik uit en bieden meer kansen voor bijvoorbeeld woordenschatonderwijs dan andere.

Wanneer kinderen een interessante inhoud wordt geboden, ontstaan er mogelijkheden voor rijk taalgebruik. Uiteindelijk kan dat leiden tot het beter leren verwoorden van gedachten. Het integreren van wetenschap- en technologie-onderwijs en taalonderwijs is daarom een win-winsituatie; interessante inhoud is nodig om complexe vormen van taal te ontwikkelen en complexere taal is nodig om tot een hoger denkniveau te komen.

Voor leerkrachten is het belangrijk om bewust en expliciet aandacht te besteden aan taalgebruik tijdens wetenschap- en technologie-onderwijs, zowel het taalgebruik van de leerlingen als het taalgebruik van de leerkracht zelf. Deze componenten zijn geïntegreerd in de video-feedback-coachingsmodule ‘Taal als Tool’ ontwikkeld door de Rijksuniversiteit Groningen om de talenten van kinderen optimaal te stimuleren.

Waar kun je als leerkracht op letten?

  1. De keuze van materialen
  2. Laat leerlingen voorwerpen en onderdelen benoemen
  3. Stimuleer kinderen om verbanden te leggen, zoals oorzaak-gevolgrelaties
  4. Laat kinderen zo specifiek mogelijk verwoorden wat ze denken (expliciet verwoorden)

De keuze van materialen

Het onderwerp van de wetenschap- en technologieles, en het materiaal dat gekozen wordt bij dat onderwerp, zijn grotendeels bepalend voor de talige mogelijkheden voor desbetreffende les. Een les over drijven en zinken in de kleuterklas lokt bijvoorbeeld vaak veel nieuwe en complexe woorden uit (de namen van de voorwerpen en hun eigenschappen). In deze les kan dus makkelijk worden aangesloten bij de woordenschatontwikkeling van de leerlingen door het concrete lesmateriaal waar mee gewerkt wordt. Een wetenschap- en technologieles waarin gebruik gemaakt wordt van bouw- en constructiemateriaal –zoals een knikkerbaan– lokt daarentegen automatisch veel wijzen en algemene verwijstermen zoals die, daar, hier uit. Deze lessen zijn zeker niet ongeschikt, maar vergen een meer actieve rol van de leerkracht bij het stimuleren van het taalgebruik. Het concrete materiaal kan gebruikt worden om abstracte begrippen te laten zien (zoals ‘snelheid’, ‘weerstand’, ‘gewicht’), die vervolgens ook benoemd en besproken kunnen worden.

Laat leerlingen voorwerpen en onderdelen benoemen

De wetenschap- en technologieles gaat vaak over niet-alledaagse onderwerpen, vaker zelfs over abstracte begrippen waarmee de kinderen niet bekend zijn. De woorden om deze begrippen te beschrijven zijn dus specifiek voorbehouden aan het vakgebied van wetenschap en techniek. Enkele voorbeelden zijn: luchtdruk, zwaartekracht, thermometer, statisch en magneet. Naast deze inhoudelijke begrippen, zijn er ook meer algemene termen die nodig zijn om denkprocessen te verwoorden. Voorbeelden zijn: onderzoeken, verklaren, hypothese, conclusie, veroorzaken, verwachting maar ook voegwoorden als omdat, daarom en want. De leerkracht kan op een actieve manier aandacht besteden aan de woordenschatontwikkeling door voorwerpen en onderdelen te laten benoemen (knikkerbaan, helling, snelheid) en vooral ook bewust te zijn van het eigen taalgebruik. Op deze manier raken de kinderen meer bekend met deze woorden en breiden ze hun woordenschat uit, eerst het begrip van woorden, later het actieve gebruik ervan.

Stimuleer kinderen om verbanden te leggen, zoals oorzaak-gevolgrelaties

Naast woordgebruik is het belangrijk dat kinderen verbanden leren leggen, zoals oorzaak-gevolgrelaties. De leerlingen kunnen gestimuleerd worden tot complexere zinsconstructies door te vragen naar de precieze werking van bijvoorbeeld de knikkerbaan: “Waarom gaat de grote knikker sneller naar beneden dan de kleine knikker?”. Om een dergelijke vraag te kunnen beantwoorden, moeten de leerlingen zoeken naar een juiste talige vorm om precies te kunnen uitdrukken wat ze bedoelen. Er wordt meer gevergd van het taalvermogen: er zijn namelijk complexe zinsconstructies (langere, samengestelde zinnen) vereist die kinderen nog niet in voldoende mate beheersen als zij net naar school gaan. De leerkracht kan de kinderen bekend maken met deze constructies door de uitingen van kinderen te herhalen in de vorm van een samengestelde zin, waarin de relatie tussen twee objecten of acties naar voren komt. Het gaat er dan in eerste instantie niet om of de inhoud juist is, maar dat de redenering van de kinderen in de juiste woorden wordt herhaald.

Laat kinderen zo specifiek mogelijk verwoorden wat ze denken (expliciet verwoorden)

Tenslotte is het belangrijk om kinderen uit te dagen zo specifiek mogelijk te verwoorden wat ze denken, zodat iedereen in de klas begrijpt wat er bedoeld wordt. Kinderen gebruiken veel woorden zoals die, daar en dat in combinatie met wijzen. De wetenschap- en technologieles biedt een mooie kans om kinderen te leren expliciet uit te leggen wat ze hiermee bedoelen. Taal kan dan ingezet worden als instrument door voorwerpen en plaatsen exact te beschrijven in plaats van algemene verwijstermen (die, hier, daar) te gebruiken.

Dit kaartje kun je gebruiken tijdens de les. Op de pagina Materialen/in de klas vind je meer materialen.