SBO

Leerlingen in het SBO

Op SBO-scholen zitten kinderen met leer-, opvoedings- of gedragsproblemen. Deze kinderen hebben over het algemeen meer behoefte aan structuur en duidelijkheid en hebben een kortere spanningsboog dan kinderen in het reguliere basisonderwijs. Zijn deze kinderen ook geïnteresseerd in wetenschap en technologie? En hoe kun je in deze klassen op een aansprekende manier wetenschap- en technologie-onderwijs geven?

Uit een kleine studie blijkt dat de wetenschap- en technologietalenten bij kinderen in de onderbouw van het SBO op eenzelfde wijze te herkennen zijn als de wetenschap- en technologietalenten bij kinderen van dezelfde leeftijdscategorie in het reguliere basisonderwijs. Ze raken enthousiast van de wetenschap- en technologielessen (w&t-lessen) en tonen grote betrokkenheid. De leerlingen fantaseren actief mee over ‘hoe iets nou kan gebeuren’ en willen allemaal een actieve rol tijdens de les (‘mag ik dat ook doen?’). Als het even kan, storten de leerlingen zich het liefst op de uitvoering van de proefjes (‘het doen’). Ze experimenteren volop en vragen ook om andere dan door de leerkracht voorgestelde materialen. Er zijn echter wel een aantal aandachtspunten waar je als leerkracht op kunt letten, om zo de leerlingen optimaal te laten profiteren van de w&t-lessen.

brug bouwen met latjes

Waar kun je als leerkracht op letten?

  1. Hou rekening met specifiek gedrag van SBO-leerlingen
  2. Wees je bewust van je verwachtingen als leerkracht
  3. Gebruik vooral visueel aantrekkelijke materialen
  4. Stel vooral concrete vragen
  5. Neem een open houding aan

Hou rekening met specifiek gedrag van SBO-leerlingen

Bij veel SBO-leerlingen is sprake van ontwikkelingsachterstanden. Dit maakt dat ze soms ander gedrag vertonen dan op basis van hun leeftijd verwacht mag worden. Tijdens w&t-lessen in de onderbouw van het SBO kunnen leerlingen manipulatief spel laten zien wanneer ze proefjes mogen uitvoeren. Concreet betekent dit dat leerlingen eindeloos hetzelfde proefje herhalen, terwijl ze geen causale verbanden lijken te leggen tussen hun handelingen en het resultaat van het proefje. De leerkracht doet er goed aan dit spel niet te verbieden, maar juist vernieuwende aspecten of alternatieven aan te bieden (Van Oers, 2010). Hierdoor voert de leerling handelingen uit, die hij zonder de begeleiding van de leerkracht nog niet had bedacht. Door vragen te stellen kan de leerkracht de leerling laten reflecteren op zijn handelen en zodoende ook ‘het denken’ activeren.
Sommige SBO-leerlingen vragen door hun gedragsproblemen tijdens de w&t-les meer individuele aandacht. Deze zogenoemde ‘bewerkelijke leerlingen’ kunnen ervoor zorgen dat leerkrachten tijdens de w&t-les soms meer bezig moeten zijn met het corrigeren van hun gedrag dan dat ze inhoudelijk met de les bezig kunnen zijn. Het kan helpen als leerkrachten in het SBO vooraf nadenken over de opstelling van de leerlingen tijdens de w&t-les en bijvoorbeeld de bewerkelijke leerlingen binnen handbereik zetten. Aangezien je tijdens de W&T les niet enkel corrigerend bezig wilt zijn, blijft het echter schipperen tussen de aandacht die bewerkelijke leerlingen vragen en het aan de regels laten houden.

Wees je bewust van je verwachtingen als leerkracht

De verwachtingen van de leerkrachten kunnen een grote rol spelen in het wel of niet doorvragen naar aanleiding van een antwoord of opmerking van een leerling. Het idee ‘die leerling weet toch niet hoe dat zit’ en het willen voorkomen dat de leerling een faalervaring opdoet weerhoudt leerkrachten er soms van om nader op een opmerking van een leerling in te gaan. Het principe van de self fulfilling prophecy speelt hier een rol: verwachtingen worden realiteit. Wanneer een leerkracht een leerling geen vragen stelt, krijgt de leerling geen kans om te vertellen wat hij denkt en lijkt het inderdaad alsof de leerling geen idee heeft hoe het zit. Dit principe heeft vanzelfsprekend ook een positieve werking. Van de leerlingen die veel onderzoekend gedrag laten zien hebben de leerkrachten hoge verwachtingen, waardoor de leerkrachten meestal wel ingaan op uitingen van deze leerlingen. Leerkrachten doen er goed aan zich bewust te zijn van dit principe zodat ze zich er niet door laten leiden en ‘het denken’ bij alle leerlingen optimaal stimuleren.

Gebruik vooral visueel aantrekkelijke materialen

Wat betreft materiaal bij wetenschap- en technologielessen doen leerkrachten in de onderbouw van het SBO er goed aan om ervoor te zorgen dat dit visueel en aansprekend is. Door visuele materialen te gebruiken wordt het voor de leerlingen makkelijker om ideeën over de werking van het materiaal te formuleren. Tijdens een van de lessen werd van een ondoorzichtige limonadefles een gieter gemaakt. Doordat de leerlingen niet konden zien wat daar binnenin gebeurt, vonden ze het moeilijk om te bedenken wat er in de fles zou zitten. Wanneer een doorzichtige fles wordt gebruikt kunnen de leerlingen waarschijnlijk luchtbelletjes omhoog zien gaat. Dit is voor de leerlingen een aangrijpingspunt om ideeën te vormen. Tevens is het belangrijk om materialen te kiezen die een rol spelen in de belevingswereld van kinderen. Als het materiaal de leerlingen aanspreekt, vertonen ze een grote betrokkenheid tijdens de les. Wanneer het materiaal te abstract is, vinden leerlingen het moeilijker hiermee te experimenteren, wat maakt dat ze snel hun aandacht verliezen. Tot slot is het belangrijk dat leerlingen zelf aan de slag kunnen met het materiaal. Leerlingen in het SBO leren heel veel door zelf bezig te zijn. Bij w&t-lessen beklijft de lesstof veel beter wanneer leerlingen zelf proefjes mogen uitvoeren.

Stel vooral concrete vragen

Leerlingen in het SBO hebben veel baat bij concrete en expliciete vragen van de leerkracht. Leerlingen zijn soms geneigd hun aandacht te leggen op een irrelevant aspect van een proefje. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer een leerling het mislukken van een proefje toeschrijft aan eigenschappen van een andere leerling. Door concrete vragen te stellen kan de leerkracht de focus van de leerling verleggen naar het object waar het om gaat. Een leerkracht kan de leerling bijvoorbeeld expliciet vragen om naar het voorwerp te kijken en op basis daarvan te bedenken waarom het proefje met dat voorwerp niet lukt. Ook vragen naar het verschil tussen twee concrete, zichtbare voorwerpen helpt leerlingen ideeën te vormen. Het gaat dan om vragen als ‘Wat is het verschil tussen het geluid van dit glas water en het geluid van deze?’ in plaats van ‘Wat hoor je?’.

Neem een open houding aan

Leerkrachten zijn soms geneigd de leerlingen in een bepaalde denkrichting te sturen. Wanneer een leerling niet het ‘goede antwoord’ op een vraag geeft, stellen leerkrachten de vraag aan een andere leerling in de hoop dat die wel het goede antwoord zou kunnen geven. Leerkrachten doen er goed aan een open houding aan te nemen en tijdens de les de ‘touwtjes wat meer te laten vieren’. Hierdoor is er meer ruimte voor inbreng van de leerlingen. Leerkrachten kunnen vervolgens meevaren op de inbreng van hun leerlingen, in plaats van dat ze zelf ‘het juiste antwoord’ geven of de leerling te sturen in de eigen denkrichting. Concreet gezien kan dit inhouden dat de leerkrachten ook naar aanleiding van ‘verkeerde antwoorden’ van leerlingen doorvragen (‘Waarom denk je dat?’ ‘Hoe bedoel je dat?’ ‘Hoe zit dit dan?’) en doorvragen naar aanleiding van spontane opmerkingen van leerlingen.