De wetenschappelijke methode

Het gebruik van de wetenschappelijke methode is belangrijk, want daarmee bied je kinderen structuur. De wetenschappelijke methode leidt leerkrachten en leerlingen stapsgewijs van probleemstelling naar uitkomst. Werken met de methode maakt dat je als leerkracht vanzelf een onderzoekende houding aanneemt. Je begint met formuleren wat je wilt weten en stap voor stap kom je tot een oplossing voor je probleemstelling of tot een nieuwe vraag. Dan begint de cyclus weer opnieuw. De wetenschappelijke methode bestaat uit vijf stappen.

docent met twee kinderen die verbindingsdraden leggen

  1. Het formuleren van een onderzoeksvraag; wat wil je precies weten. Dit formuleer je als een vraag. Bijvoorbeeld: als ik olie op water giet, wat zal de olie dan doen? Wat weet ik van olie en water?
  2. Het opstellen van ene verwachting; de hypothese; wat er zou kunnen gaan gebeuren, hiervoor gebruik je de kennis die je al over een onderwerp hebt. Bijvoorbeeld: Ik denk dat de olie blijft drijven op het water.
  3. Het bedenken van een onderzoeksopstelling; welk onderzoek kun je doen om je vraag te beantwoorden. Bijvoorbeeld: Ik ga een glas pakken en ga er nu olie en water in schenken.
  4. Uitvoeren, observeren en constateren; uitvoeren van het onderzoek en heel goed kijken wat er gebeurt. Bijvoorbeeld: Ik zie dat de olie blijft drijven. De olie gaat omhoog. Ik zie allemaal bubbeltjes.
  5. Het trekken van een conclusie; je kunt nu conclusies gaan trekken aan de hand van de volgende vragen: Wat is er nu precies gebeurd? Klopte dat met wat je gezegd hebt in je hypothese? Wat is op grond van het resultaat je conclusie? Hoe kan dat dan? Wat zou de oorzaak zijn? Bijvoorbeeld: Olie blijft op water drijven. Hoe zou dat kunnen?