Wetenschappelijk inzicht kleuters PO en SO

De ontwikkeling van wetenschappelijk inzicht bij kleuters in het regulier en speciaal onderwijs

Steffie van der Steen

Hoe ontwikkelen jonge kinderen (3 tot 5 jaar oud) hun begrip van wetenschappelijke concepten, zoals luchtdruk en zwaartekracht? En hoe belangrijk is de interactie met de omgeving, bijvoorbeeld het wetenschappelijke taakje, maar ook degene die het kind daarbij ondersteunt? Zijn kinderen uit het speciaal onderwijs (cluster 4, met gedrags- en/of psychische problemen) in staat om hun begrip te ontwikkelen op hetzelfde niveau als kinderen zonder deze problemen? Deze vragen stonden centraal in dit onderzoek.

Het onderzoek duurde 1,5 jaar en er deden 32 kinderen mee, de helft uit het speciaal onderwijs. Ze kregen om de drie maanden een reeks van praktische taken waarin de wetenschappelijke concepten zwaartekracht/inertie/snelheid en luchtstroming/luchtdruk waren verwerkt, zoals een knikkerbaan of een luchtspuit. Tijdens de (één-op-één) afname maakte de onderzoeker gebruik van een protocol, waarbij het kind op een natuurlijke manier door de taak geleid werd door middel van een aantal beschrijvings-, voorspellings- en verklaringsvragen. De onderzoeker maakte hierbij ook gebruik van ondersteunende technieken om het kind te helpen (‘scaffolding’). Het onderzoek richtte zich met name op de complexiteit van de uitingen van de kinderen en de interactie met de taak en de onderzoeker.

jongetje trekt aan touw

Wat komt er uit het onderzoek naar voren?

  1. De kinderen konden worden verdeeld in drie groepen van kenmerkende ontwikkelingstrajecten
  2. Vooral de interactie tussen de onderzoeker en het kind tijdens de taak bleek erg belangrijk
  3. Er waren veel minder verschillen tussen de leerlingen uit het regulier onderwijs en leerlingen uit het speciaal onderwijs (cluster 4) dan vooraf gedacht

Drie kenmerkende trajecten

Hoe ontwikkelt het begrip van kinderen van luchtdruk en zwaartekracht? In dit onderzoek keken we naar de vorm van ontwikkelingstrajecten, dat wil zeggen, hoe de complexiteit van de uitingen van de kinderen over anderhalf jaar tijd veranderde. In het algemeen lieten de kinderen steeds meer uitingen van het hoogste niveau zien in de loop van de tijd. Een diepere analyse hiervan leverde drie groepen op:

  • Groep 1 had veel uitingen van het hoogste complexiteitsniveaus op alle taken.
  • Groep 2 was variabel en liet over tijd afwisselend hoge en lage percentages van deze hoge complexiteitsniveaus zien.
  • Groep 3 had veelal lage percentages van de hoogste complexiteitsniveaus, die redelijk stabiel waren over tijd.

Het belang van de interactie

Welke factoren maakte dat een kind in groep 1, 2 of 3 viel? Allereerst keken we naar het gedrag van de kinderen tijdens de taken (initiatief nemen, inhoudelijke uitingen en off-task uitingen) en de ondersteuning van de onderzoeker tijdens de taken (inhoudelijke vragen, follow-up vragen en verduidelijkingen). Daarnaast namen we ook informatie over de gang van zaken bij de kinderen thuis mee, bijvoorbeeld waar de kinderen mee speelden en of ze veel over school vertelden thuis. Ten slotte werden de taal- en rekentoetsen van het leerlingvolgsysteem in het onderzoek betrokken.

Uit de analyse bleek dat leeftijd, geslacht, een eventuele diagnose en andere schoolfactoren (speciaal of regulier onderwijs, taal- en rekentoetsen uit het leerlingvolgsysteem) weinig voorspellende waarde hadden voor de ontwikkelingstrajecten. Wat vooral van belang bleek was interactie tussen kind en onderzoeker, zoals het gebruik van scaffoldingtechnieken door de onderzoeker (het stellen van inhoudelijke vragen, follow-up vragen en het geven van verduidelijkingen) en de betrokkenheid van het kind (initiatiefname, inhoudelijke uitingen en off-task uitingen). De belangrijkste achtergrondfactoren die een rol speelden waren de aanmoediging van de ouders met betrekking tot het spelen met constructiespeelgoed en het delen van schoolervaringen met elkaar.

Als je naar deze gegevens kijkt, is het wel belangrijk om in je achterhoofd te houden dat het niet zo is dat bijvoorbeeld het stimuleren van het spelen met constructiespeelgoed veroorzaakt dat kinderen een bepaald ontwikkelingstraject volgen. De opzet van het onderzoek laat namelijk niet toe om oorzaak-gevolg verbanden te onderzoeken. Het zou best wel eens kunnen dat kinderen die zich op een bepaalde manier ontwikkelen op de wetenschappelijke taakjes, ook meer of juist minder stimulatie oproepen (in plaats van dit simpelweg te krijgen). Wat deze resultaten wel laten zien, is dat de context een zeer belangrijke rol speelt in de ontwikkeling van begrip en niet gezien kan worden als een eenmalige of eenzijdige invloed van buitenaf.

Weinig verschillen tussen regulier en speciaal onderwijs

Eerder onderzoek liet zien dat kinderen uit het speciaal onderwijs slechter presteren dan kinderen uit het regulier onderwijs school, mogelijk omdat hun emotionele en/of gedragsproblemen een optimale prestatie in de weg staan (zie Trout, Nordness, Pierce, & Epstein, 2003). De focus van dit eerdere onderzoek lag echter vooral op de scores van deze kinderen op (papier-en-pen) toetsen. Ook onze groep kinderen uit het speciaal onderwijs scoorde lager op de taal- en rekentoetsen van het leerlingvolgsysteem dan de kinderen uit het regulier onderwijs. De vraag was hoe de kinderen uit het speciaal onderwijs hun begrip zouden ontwikkelen tijdens de taken met de onderzoeker. Zouden deze kinderen profiteren van deze praktische setting met wetenschappelijke taakjes?

De resultaten laten zien dat hoewel de kinderen uit het speciaal onderwijs gemiddeld meer fouten maakten, hun gemiddeld aantal antwoorden en het gemiddelde complexiteitsniveau tijdens de taken niet verschilde van dat van de kinderen uit het regulier onderwijs. Deze resultaten zijn in tegenspraak met wat eerder onderzoek heeft gevonden en de taal- en rekentoetsen van het leerlingvolgsysteem. Ondersteuning in de vorm van scaffoldingtechnieken die aansluiten bij de leerlingen zou daarom van cruciaal belang kunnen zijn voor het begrip van kinderen tijdens wetenschappelijke taken en wellicht ook voor hun prestaties in het algemeen.

Voor het proefschrift: http://www.rug.nl/research/portal/files/11783737/Complete_dissertation.pdf

Voor meer informatie: info@talentenkrachtgroningen.nl