Wetenschappelijke inzicht kleuters korte termijn

Voorspellingen en verklaringen: korte termijn processen van wetenschappelijk inzicht bij kleuters

Heidi Meindertsma

De prestaties van kinderen worden vaak gekenmerkt door ze in te delen bij een niveau of stadium, maar in werkelijkheid fluctueert de prestatie van kinderen, zelfs van moment tot moment binnen één taak. In verschillende onderzoeken zijn de korte-termijn processen van wetenschappelijk inzicht van kinderen in de leeftijd van 4 tot 6 jaar onderzocht wat uiteindelijk in 2014 heeft geleid tot een proefschrift getiteld Predictions and explanations: Short-term processes of scientific understanding in young children. Zo is er gekeken naar de variabiliteit in prestatie van kleuters, het verschil tussen voorspellingen en verklaringen, de invloed van de context en informeel leren binnen een schoolse setting. In alle onderzoeken is gebruik gemaakt van Skill Theory (Fischer & Bidell, 2006) als meetinstrument voor de prestatie van leerlingen.

meisje kijkt omhoog naar iets aan een touw

Wat komt uit het onderzoek naar voren?

  • Prestatie van een kind moet gezien worden vanuit de interactie met de taak en de volwassene: zowel de sociale als de materiële context zijn een cruciaal onderdeel van het wetenschappelijk inzicht van kinderen
  • Relatief kleine veranderingen in de context kunnen resulteren in flinke veranderingen in het prestatieniveau van kinderen
  • Wetenschappelijk inzicht kan begrepen worden als een proces dat zich ontvouwt van moment tot moment, en dat zowel bevorderd als beperkt door de kenmerken van het kind, de leerkracht, de taak en de context
  • Leerkrachten (en ouders) kunnen de materiële en sociale context op een dusdanige manier beïnvloeden dat er een optimale context voor het leren ontstaat
  • Leren ontstaat in het hier-en-nu!

Variabiliteit

Intra‐individuele variabiliteit verwijst naar de variabiliteit in prestatie die een kind van moment tot moment laat zien. Door te kijken naar deze variabiliteit binnen een enkele taaksessie is het mogelijk om de constructieprocessen op het moment zelf en de bijbehorende langere termijn ontwikkeling van wetenschappelijk inzicht beter te begrijpen. In dit hoofdstuk zijn de verklaringen van kinderen over het drijven en zinken van alledaagse voorwerpen onderzocht. De resultaten hebben aangetoond dat de meerderheid van de kinderen een hoge mate van intra‐individuele variabiliteit lieten zien. Over het algemeen hadden de meeste kinderen een afname in de variabiliteit van de complexiteit en de inhoud van de verklaringen tijdens deze enkele taaksessie. Dit betekent dat de verklaringen zich tegen het einde van de taak stabiliseerden. Een taaksessie van tien minuten kan dus al een verandering in wetenschappelijk inzicht teweeg brengen.

Voorspellingen vs. verklaringen

Niet alleen de verklaringen die kinderen geven over wat ze waarnemen in een taak kunnen iets zeggen over het wetenschappelijk inzicht, ook de voorspellingen kunnen hier informatie over geven (Kloos et al., 2010; Kohn, 1993). Het is echter tot op heden onduidelijk geweest in welke mate de voorspellingen en de verklaringen aan elkaar gerelateerd zijn. In één onderzoek is daarom een vergelijking gemaakt tussen het percentage goede voorspellingen, het percentage goede verklaringen (verklaringen waarbij verwezen wordt naar minstens één component van het fenomeen ‘dichtheid’) en de complexiteitsniveaus van de verklaringen (gebaseerd op Skill Theory) binnen een drijven en zinken taak. De resultaten lieten zien dat de voorspellingen en verklaringen niet met elkaar samenhingen. De voorspellingen werden sterker beïnvloed door de context, zoals een nieuw object of de specifieke volgorde van de objecten, dan de verklaringen. Kinderen pasten hun verklaringen meestal niet aan na het zien drijven of zinken van het voorwerp, ongeacht of er een juiste of onjuiste voorspelling aan vooraf was gegaan. Deze resultaten doen vermoeden dat voorspellingen en verklaringen niet afkomstig zijn van één mentale representatie maar dat ze beschouwd moeten worden als twee aparte, emergerende processen bij jonge kinderen.

Invloed context

De invloed van de context op het wetenschappelijk inzicht van kinderen (zowel voorspellingen als verklaringen) is door middel van drie samenhangende deelstudies onderzocht. De eerste deelstudie richtte zich op de materiële context van de taak, dus de taakinhoud en het materiaal. Hierbij werd aangetoond dat verschillende taken (drijven/zinken, luchtspuit, balans en trapkogelbaan) resulteren in verschillende niveaus van wetenschappelijk inzicht van dezelfde kinderen. Hierbij werd het hoogste niveau gevonden bij een drijven/zinken‐taak. In de tweede deelstudie werden verschillende manieren van afnemen met behulp van verschillende protocollen onderzocht. Deze protocollen variëren in de mate van standaardisatie voor de testleider (een leerkracht, onderzoeker of andere volwassene) om zo de rol van de sociale context te onderzoeken. Een testprotocol met een hoge mate van standaardisatie en herhaling van vragen, bleek te zorgen voor het hoogste maximale complexiteitsniveau van verklaren en het hoogste percentage correcte voorspellingen bij de kinderen. De derde deelstudie richtte zich op het verbale gedrag van de volwassene en deze studie liet zien dat variabiliteit in het verbale gedrag van de volwassene – en dus een hoge mate van flexibiliteit of adaptatie, niet gerelateerd was aan een hogere prestatie door kinderen. De taakstructuur leek echter meer invloed te hebben. De drie deelstudies benadrukken het belang van de materiële en sociale context bij het wetenschappelijk redeneren van jonge kinderen.

Informeel leren in een schoolse setting

Tot slot werd een experimentele studie gedaan waarbij het leereffect van een informele W&T‐activiteit is onderzocht (een drijven/zinken‐taak en een hellingtaak). Vergelijkbare activiteiten worden regelmatig in het basisonderwijs gebruikt. De resultaten toonden aan dat deze activiteit, of dit nu op de computer is of met het materiaal zelf, individueel of met een klasgenoot, niet genoeg is om tot een hoger niveau van verklaringen te komen. Wel bleek dat alle groepen (dus ook de controlegroep die geen informele activiteit had gekregen) vooruit gingen in het aantal goede voorspellingen. Belangrijk is het hierbij op te merken dat er in de voormeting andere objecten werden gebruikt dan in de nameting. Kinderen in deze leeftijd (4‐6 jaar) generaliseerden dus waarschijnlijk hun inzicht in de taken van de voormeting naar de nameting (beide gestructureerde taken onder begeleiding van een volwassene), maar niet zo makkelijk naar een informele leersituatie, zonder begeleiding.

Skill theory als meetinstrument

In alle onderzoeken zijn de verklaringen van kinderen aan de hand van de ‘dynamic skill theory’ (Fischer & Bidell, 2006) op een bepaald niveau ingedeeld. Deze Skill Theory blijkt een veelzijdig en bruikbare methode te bieden voor het kwantificeren van de verklaringen van kinderen.

Voor het proefschrift: http://www.rug.nl/research/portal/files/2332705/volledigedissertatie.pdf

Voor meer informatie: info@talentenkrachtgroningen.nl