Vindplaatsen

In de afgelopen jaren hebben we samengewerkt met verschillende scholen in Noord-Nederland om praktijk-onderzoek te doen, de zogenaamde vindplaatsscholen. De onderzoeken gingen over werken met excellent presterende leerlingen, leerlingen in het speciaal basisonderwijs, maar ook over het uitdagen van leerlingen in het reguliere basisonderwijs. De vragen van scholen stonden hierin centraal, zoals ‘Hoe kun je de onderzoekende houding van jonge kinderen stimuleren?’ en ‘Hoe kan leerkrachtgedrag het leerproces bij excellent presterende leerlingen positief beïnvloeden?’. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn verwerkt in de verschillende onderdelen van deze website.

De onderzoeken zijn uitgevoerd door: B. de Koning-Veenstra, A.F.M.Wetzels, E. Honingh, S. van Vondel, L. Hoekstra.

Excellente leerlingen

Op meerdere scholen is zowel in de plusklas als met normaal begaafde leerlingen gewerkt met de Lessencyclus ‘Wetenschappelijk denken’. Gekeken is o.a. naar het niveau van wetenschappelijk redeneren van kinderen en naar de rol van de leerkracht. Het betrof een eerste verkennende studie die geresulteerd heeft in vervolg-onderzoek met vindplaatsscholen.

Het tweede vindplaatsenonderzoek was, op basis van de ervaringen in de pilot-studie, voornamelijk gericht op de benadering van de leerkracht. Leerkrachten leren om het wetenschappelijk denken bij de kinderen te laten, en om talenten voor wetenschap en techniek bij leerlingen te herkennen en te stimuleren. In het bijzonder werd nu gekeken naar excellente kinderen. Deze kinderen hebben vaak specifieke kenmerken. Lees meer….

SBO

Samen met twee SBO-scholen is een kwalitatief onderzoek uitgevoerd gericht op de vraag van de scholen m.b.t. het stimuleren van wetenschap- en technologie (w&t)-talenten bij deze leerlingen en de rol van leerkrachten daar bij. Tevens is gekeken naar de bruikbaarheid van het TK-coachingsprogramma voor deze doelgroep. Lees meer…

Onderbouw

Op verschillende scholen is met een aantal onderbouwleerkrachten het TK Video Feedbackcoachingsprogramma uitgevoerd, als onderdeel van het onderzoek naar de effectiviteit van dit programma. Daarnaast is met de schoolteams een stappenplan ontwikkeld voor de disseminatie van het geleerde in de onderbouw naar de rest van de school .

Bovenbouw

Op een aantal scholen is het TK Video Feedbackcoachinsprogramma uitgevoerd met enkele bovenbouwleerkrachten, om na te gaan of dit programma ook geschikt is voor de bovenbouw, en welke aanpassingen eventueel nodig zijn. Het betrof een eerste verkennende studie. Het onderwerp heeft een vervolg gekregen in het TalentenKracht-onderzoek gericht op bovenbouw-leerlingen.

Digitaal schoolplein

Er is onderzoek gedaan (basisschool Het Vrieske Honk, Vriescheloo) naar het effect van het digitale schoolplein op o.a. leerprestaties en motivatie van leerlingen. Hoewel het digitale schoolplein kinderen meer ruimte geeft om te bewegen lijkt er geen effect te zijn op de leerprestaties, de leerlingen lijken in het begin wel iets gemotiveerder maar dit effect neemt snel af. Om een effectief leermiddel te worden dienen nog een aantal verbeteringen doorgevoerd te worden.

Hier staat het Engelstalige artikel over dit onderzoek: Veenstra, Steenbeek, van Geert: Leren door beweging.


Hoe kunnen leerkrachten wetenschappelijk redeneren van excellente leerlingen stimuleren

Baukje de Koning-Veenstra

Tijdens de uitvoering van de Lessencyclus bleek dat de kinderen niet geheel zelfstandig met de LC konden werken en dat de leerkracht een noodzakelijke rol speelt in het stimuleren en activeren van leerlingen. Zowel excellente als normaal begaafde kinderen hadden concrete instructie nodig, voordat zij konden beginnen met de proefjes. Het was noodzakelijk dat de leerkracht hielp te reflecteren op momenten dat de leerlingen vastliepen. De leerkracht gaf zelf veel informatie, instructie en stelde voornamelijk gesloten vragen, zowel bij de normaalbegaafde kinderen als bij de excellente kinderen. Het zelf denken door kinderen werd niet gestimuleerd. In deze pilot-studie zijn vooraf ook geen significante verschillen gevonden in het niveau van redeneren, de toepassing van de empirische cyclus en de kwaliteit van de onderzoeksopzet tussen excellente en normaal begaafde kinderen. Tijdens de lessen was in de uitvoering en uitkomst van de proeven ook geen verschil te zien tussen de excellente groep en normaal begaafde groep. Echter, in het proces en de evaluatie was wel verschil te zien. De groep excellente kinderen kwam veelal meer of sneller tot inzicht en tijdens de reflectie bleek dat deze kinderen op een hoger niveau communiceerden dan de normaal begaafde kinderen. Uit het onderzoek bleek dat de kinderen (zowel excellent als normaal begaafd) die met de LC hebben gewerkt, een significante toename van cognitief wetenschappelijk redeneren lieten zien, vaker de empirische cyclus toepassen en vooruitgang boekten in het opzetten van een eerlijke proef.

Hieruit kan geconcludeerd worden dat de LC zowel voor normaal begaafde als excellente kinderen effectief was in het verbeteren van het cognitief wetenschappelijk redeneren. Echter, de verschillende groepen vroegen om een verschillende benadering van de leerkracht.

In het tweede onderzoek hebben de leerkrachten wederom gewerkt met de LC; aangepast op punten die naar aanleiding van de pilot-studie verbeterd moesten worden. De leerkrachten zijn gedurende de lessen getraind d.m.v. een video-feedback coachingsprogramma[1] dat voor dit doel is aangepast. Uit de observaties en bevindingen is gebleken dat leerkrachten zowel bij de normaalbegaafde als de excellente groep moeite hadden om talenten bij de kinderen te herkennen en te stimuleren. Grote verschillen hierin waren niet zichtbaar: zowel normaalbegaafde leerlingen als excellente kinderen hadden structuur en bepaalde vragen nodig om zelf op ideeën te komen en problemen op te lossen. Echter, tijdens ons onderzoek zagen we wel dat excellente kinderen bepaalde gedragingen, waaronder perfectionisme of faalangst vaker lieten zien, waardoor leerkrachten meer moeite moesten doen om deze kinderen te laten reageren. Deze leerlingen lieten vaak ook meer feitenkennis zien, waardoor ze ook minder open staan voor nieuwe experimenten. Door middel van het coachingstraject kwamen de meeste leerkrachten tot het inzicht dat ze het denken meer bij de kinderen konden laten en werden leerkrachten zich bewust van het feit dat ook excellente kinderen begeleid en gestimuleerd kunnen worden door het stellen van bepaalde vragen, waardoor meer “talentmomenten” zichtbaar werden.

Gedurende het coachingstraject hebben leerkrachten geleerd dat de leerkracht, ondanks dat kinderen zelfstandig of in groepjes op bepaalde ideeën kunnen komen, een erg belangrijke rol heeft tijdens de W&T lessen. Op basis van de bevindingen uit beide vindplaatsprojecten hebben we adviezen geformuleerd, zoals: bewust zijn van jouw rol als leerkracht, belang van leren werken volgens de empirische cyclus, bewust zijn van jouw verwachtingen als leerkracht, en niet laten misleiden door kennis.

[1] Wetzels, Steenbeek en Fraiquin, 2011


Wetenschap- en technologietalenten van leerlingen in het SBO

Esther Honingh, Henderien Steenbeek

Wat zijn verschillen en overeenkomsten met kinderen in het regulier basisonderwijs?

Leerlingen in het speciaal onderwijs zijn over het algemeen net zo enthousiast en betrokken tijdens de w&t-lessen als leerlingen in het reguliere onderwijs. Zonder de leerkracht zijn beide groepen vooral gericht op ‘het doen’. SBO-leerlingen vragen wel meer individuele aandacht tijdens de les, waardoor leerkrachten soms meer bezig zijn met het corrigeren van gedrag dan inhoudelijk met de les. Een ander verschil is dat leerlingen in het SBO een proefje eindeloos kunnen herhalen zonder dat ze causale verbanden lijken te leggen tussen hun handelingen en het resultaat.

Hoe kunnen leerkrachten w&t-talent bij SBO-leerlingen herkennen?

SBO-kinderen laten enthousiasme en grote betrokkenheid zien tijdens w&t-lessen en willen allemaal een actieve rol. Ze experimenteren volop en schromen niet te vragen naar andere materialen. De leerlingen verbazen zich over kleine dingen, letten op details en vragen zich hardop af hoe iets nou zit of kan. Hun opmerkingen en verklaringen hebben meestal betrekking op concreet zichtbare aspecten.

In hoeverre is de Talentenkracht-coachingsprogramma voor het reguliere onderwijs bruikbaar voor kinderen in het SBO?

Met name vanwege de ervaringsgerichte en positieve insteek is TalentenKracht volgens de leerkrachten een manier van werken die goed aansluit bij het SBO en de bestaande Talentenkracht-module is zeer goed bruikbaar. De leerkrachten zijn zich bewuster geworden van hun manier van vragen stellen en van de spontane opmerkingen van leerlingen tijdens de les. Ze hebben een opener houding aangenomen en vragen vaker door naar aanleiding van spontane opmerkingen van leerlingen. De lesopbouw van de leerkrachten is veranderd: ze bereiden een les nu niet meer in zijn geheel voor, zodat zij tijdens de les zelf ook verrast worden. Er zijn wel aandachtspunten die een plek zouden moeten krijgen in een vervolg-onderzoek of bij het begeleiden van leerkrachten in het SBO met het TalentenKracht-coachingsprogramma. Zo is het goed om na te denken over de manier waarop bewerkelijke leerlingen het beste bij de w&t-lessen betrokken kunnen worden. Wat betreft de leerkrachten is het belangrijk dat ze zich door de gedachte dat de leerling het antwoord toch niet zal weten, niet laten weerhouden om door te vragen naar aanleiding van uitingen van deze leerlingen. Daarnaast is het belangrijk dat ze concrete en expliciete vragen stellen aan leerlingen en een open houding aannemen. Wat betreft de materialen is het belangrijk dat deze concreet en visueel zijn en aansluiten bij de belevingswereld van de leerlingen.