Bovenbouw

Wetenschappelijk redeneren in de bovenbouw

Sabine van Vondel

In het schooljaar 2012/2013 hebben zes leerkrachten meegewerkt om te onderzoeken of het coachingstraject (zoals opgezet voor de onderbouw door Wetzels, Steenbeek en Fraiquin) geschikt is voor de bovenbouw van het basisonderwijs. Zij hebben aanbevelingen gedaan voor verbetering en daarmee is het coachingstraject geoptimaliseerd. Vervolgens hebben in 2013/2014 en 2014/2015 23 leerkrachten meegewerkt aan dit project. Elf daarvan hebben meegedaan aan het coachingstraject en twaalf namen deel aan de controle-conditie.

Dankzij deze samenwerking tussen scholen en de universiteit zijn veel videobeelden van lessen verzameld. De videobeelden van de lessen zijn het startpunt van dit onderzoek. De videobeelden worden gebruikt om inzicht te krijgen in twee ontwikkelingstrajecten. 1. De ontwikkeling van leerkrachtgedrag tijdens de Video Feedback Coaching interventie. 2. De ontwikkeling van het wetenschappelijk redeneren van de leerlingen. Deze twee punten hangen echter sterk met elkaar samen, het onderzoek richt zich daarom vooral op de manier waarop leerlingen en leerkracht samen tot een hoger niveau van wetenschappelijk inzicht komen.

Binnen dit onderzoek nemen we verschillende invalshoeken om de effectiviteit van het coachingstraject in kaart te brengen. Op dit moment richten we ons op:

  1. De kwaliteit en kwantiteit van complexe uitingen van de leerlingen. Met ‘complex’ doelen we op uitingen die een vorm van redeneren laten zien, denk bijvoorbeeld aan het formuleren van voorspellingen of verklaringen. Het niveau van de uitingen wordt in kaart gebracht met behulp van een codeerschaal gebaseerd op Skill Theory. Het doel van dit onderzoek is om het wetenschappelijk redeneren van leerlingen te stimuleren. Dit doen we door te focussen op het gedrag van de leerkracht. We verwachten dat een verandering in het gedrag van de leerkracht een verandering in het gedrag van de leerlingen tot uiting zal brengen. Leerkracht worden daarom ondersteunt om meer denk-stimulerende uitingen te doen, zodat leerlingen meer kansen krijgen om talentvol gedrag tot uiting te laten komen.
  2. De betrokkenheid van de leerling en de openheid van de leerkracht. Uit onderzoek weten we dat bovenbouwleerlingen minder interesse hebben voor w&t-activiteiten dan, bijvoorbeeld, peuters en kleuters. Interesse voor een bepaald onderwerp wordt gezien als een belangrijk element voor de betrokkenheid van leerlingen. Betrokkenheid is een voorwaarde voor leren. Ook laat eerder onderzoek zien dat open leerkracht gedrag de leerling kan stimuleren om op een hoger niveau te redeneren en de betrokkenheid van leerlingen kan vergroten. Een van de Talentenkracht-principes richt zich erop dat talentvolgedrag (waarvan betrokkenheid, interesse onderdeel is) tot uiting kan komen, mits de omgeving stimulerend aanwezig is. Wetenschap- en technologie-activiteiten ontlokken van nature betrokken gedrag, het prikkelt namelijk de nieuwsgierigheid en daarmee de wil om meer te weten/onderzoeken. De leerkrachten in dit onderzoek bieden uitdagende wetenschap- en technologie-activiteiten aan. Wij willen daarom in kaart brengen of bovenbouw leerlingen betrokken gedrag laten zien en daarmee dus laten zien dat er zeker wel interesse voor wetenschap en technologie is. Ook willen we onderzoeken hoe leerkrachten de betrokkenheid van bovenbouwleerlingen stimuleren en in stand houden.
  3. De interactiepatronen in de klas die leiden tot een hoger niveau van inzicht. Leerkrachten hebben een belangrijke rol in het stimuleren van het wetenschappelijk redeneren van leerlingen. We zullen daarom in kaart brengen wat de leerkracht doet om leerlingen vaker aan te zetten tot redeneren. Hierbij kan gedacht worden aan de verschillende soorten uitingen die een leerkracht kan gebruiken om het denken van leerlingen te stimuleren.

De resultaten van de pilot-studie van dit onderzoek zijn bekend. Dit onderzoek verschijnt als boekhoofdstuk met de titel ‘Looking at’ Educational Interventions Surplus Value of a Complex Dynamic Systems Approach to Study the Effectiveness of a Science and Technology Educational Intervention van Van Vondel, Steenbeek, Van Dijk en Van Geert in Complex Dynamical Systems in Education: Concepts, Methods and Applications, de verwachte verschijningsdatum is februari 2016.

De resultaten laten zien dat het gemiddelde complexiteitsniveau van het redeneren van de leerlingen na de interventie significant hoger is dan tijdens de voormeting. Vervolgens hebben we ingezoomed op een tweetal lessen om zicht te krijgen op hoe deze verandering –in een specifieke klas- tot stand is gekomen. Uit die data blijkt dat de interactiepatronen binnen deze lessen van elkaar verschillen. Tijdens de voormeting wordt een initiatievraag van een leerkracht in ongeveer 1/3 van de gevallen gevolgd door een leerling-antwoord. In de nameting geven de leerlingen veel vaker antwoord, namelijk in bijna ¾ van de gevallen. Ook blijkt dat de leerkrachten anders gaan reageren. In de voormeting reageren de leerkrachten in 20% van de gevallen op een leerling-uiting met een instructie of het geven van informatie en in 40% van de gevallen met een vraag of een aanmoediging om de leerlingen verder uit te dagen. In de nameting reageert de leerkracht niet meer met een instructie of het geven van informatie (wat als niet-stimulerend wordt gezien), maar zijn de uitingen in 70% van de gevallen stimulerend. Uit dit onderzoek concluderen we dat de interventie een positief effect heeft op het redeneren van de leerlingen, een verandering in de interactie in de klas lijkt daaraan ten grondslag te liggen.

Op dit moment zijn de overige resultaten van deze studies nog niet beschikbaar. Dit onderzoek loopt tot juli 2016.